Zo speel je De klokken van Galilei
- Kies een helling. Lees de versnelling a, de maat Δt en de lengte van de helling L af.
- Bereken met x = ½·a·t² waar de kogel is op t = Δt, 2Δt, 3Δt en 4Δt.
- Typ die afstanden in voor klokje 1 tot en met 4. Bij helling 4 staan de klokjes vast: zoek dan a.
- Druk op Start en luister. Vergelijk elke klokslag met de maat op de ritmestrook en lees daarna de afstanden tussen de klokjes af.
Vanuit stilstand groeit de afstand met het kwadraat van de tijd
Bij een start vanuit stilstand met constante versnelling groeit de snelheid evenredig met de tijd, v = a·t, en de afstand met het kwadraat van de tijd, x = ½·a·t². In 2 s komt de kogel 4 keer zo ver als in 1 s, in 3 s 9 keer zo ver. Daarom groeien de afstanden in opeenvolgende gelijke tijdsintervallen als de oneven getallen 1, 3, 5, 7. Galilei vond deze regel van de oneven getallen door kogels langs lange hellende vlakken te laten rollen en de tijd te meten; een bekende reconstructie van zijn proef gebruikt belletjes of fretten die op een vaste maat zijn afgesteld.
Een gericht leermodel
De kogel wordt behandeld als een punt dat vanuit stilstand start en langs de helling één constante versnelling houdt. Rollen en wrijving zitten in die ene waarde van a. De helling is voor de duidelijkheid onder een vaste, steilere hoek getekend, maar de afstanden langs de helling zijn op schaal. Elke klokslag wordt exact berekend op t = √(2d ÷ a), en de poging wordt in echte tijd afgespeeld.